| Terug naar Home pagina |
|
||||||||||
| naar boven |
|||||||||||
|
Het BÄTZ
/ WITTE - orgel
Remonstrantse kerk te Haarlem In 1887 nam de gemeente het door de architect A. van der Steur Jr. ontworpen nieuwe kerkgebouw aan de Wilhelminastraat in gebruik. Hiernaar werd aanvankelijk het harmonium overgebracht dat afkomstig was ult de oude schuilkerk. Dit instrument bleek echter al spoedig aan reparatie toe. De overbrenging moest bovendien ale een voorlopige oplossing worden beschouwd, want er bestonden al plannen om het nieuwe kerkgebouw van een pijporgel te voorzien wanneer ‘de muren zouden zijn uitgezweet*. Er werd een orgelfonds gesticht dat door extra concerten, benefietconcerten en andere evenementen werd gevoed. Vervolgens nam men in 1889 contact op met Johan Frederik Witte van de firma J. Bätz & Co. te Utrecht. Deze maakte een plan voor een orgel dat ca. f 5000,- zou moeten kosten, doch dat voor de beschikbare ruimte te groot werd gevonden en ook te duur! Ook zou de klaviatuur opzij van het orgel moeten komen i.p.v. aan de achterzijde, hetgeen extra kosten meebracht. Bovendien zou er niet genoeg ruimte op de galerij overblijven voor het kerkkoor. Een bezwaar van geheel andere aard was dat de dienstdoende organist-koorleider wel een harmonium doch geen pijporgel bleek te kunnen bespelen. Een door Witte gemaakt gewijzigd plan werd voorlopig terzijde gelegd. Eerst in 1899 nam men opnieuw contact met Witte op en op 29 oktober 1899 werd een contract gesloten voor de bouw van een orgel dat f 5510,- zou kosten. Het werd op 26 april 1901 gekeurd door Willem Ezerman (organist van de Sint Bavo) en op 5 mei d.a.v. officieel in gebruik genomen. Het
orgel had de volgende dispositie:
Manuaal I Manuaal II 1. Bourdon 16* 1. Salicet 8* 2. Prestant 8* 2. Viola 8* 3. Roerfluit 8* 3. Holfluit 8* 4. Octaaf 4* 4. Fluit 4* 5. Nazard 3* 6. Flageolet 2* 7. Trompet 8* Pedaal: aangehangen Klavieromvang: C - f”* Pedaal: C - d Het was een instrument met een dispositie die typisch was voor de in de late 19e eeuw heersende smaak: vrijwel uitsluitend 16*, 8*, 4* en 2* registers (slechts 46n 3*), geen mixturen, scherp of andere vuistemmen, een gelijkmatige en lieflijke intonering naar gelijkzwevende temperatuur en gestemd op normale toonhoogte (a* = 440 Hz.). De klaviatuur bevindt zich aan de rechterzijde (van de kerk uit gezien). De windvoorziening werd in 1921 geëlektrificeerd; de oude trapinrichting is aanwezig, doch bulten werking gesteld. Bij het frontontwerp greep Witte terug op dat van het in 1890 door hem gebouwde orgel in de Oud-katholieke kerk Maria Minor te Utrecht, dat hij vrijwel tot in details herhaalde, zij het dat het Haarlemse orgel als balustrade-orgel werd geleverd, terwijl dat in Utrecht op een onderkas staat. Bovendien is het middenveld in Haarlem gedekt door een tympaan. De stijl zou men kunnen aanduiden ale enigszins italianiserend neo-renaissancistisch. Het front vertoont drie vlakke pijpenvelden met resp. 7 - 9 - 7 pijpen, het middelste veld verhoogd en bekroond door een tympaan. De velden zijn aan de bovenzijden geblindeerd met rondbogen, de pijpvoeten zijn ongeblindeerd. Het opgaand stijlwerk met cannelures. De labiumlijnen verlopen v-vormig. Aan weerszijden van de kas bevindt zich op de balustrade enig snijwerk met ‘zinnebeelden der toonkunst*, in oorsprong mogelijk vervaardigd door de Amsterdamse beeldhouwer Norma in 1790 en volgens mondelinge overlevering afkomstig van de versiering die de klok in de oude schuilkerk omgaf. Na de Tweede Wereldoorlog had men blijkbaar geen vrede meer met de nogal gedateerde dispositie. Mede door een legaat hiertoe in staat gestold besloot men in 1960 tot eon vrij forse wijziging van de dispositie, ten dele In neo-barokke stijl en tevens tot het aanbrengen van een pedaal met een zelfstandige stem (Bourdon 16*) terwijl een koppeling van Pedaal aan Manuaal I werd aangebracht. De door een dulciaan vervangen trompet werd verkocht aan een kerk te Paramaribo. Deze restauratie word uitgevoerd door de fa. Flentrop te Zaandam. In 1987 is een uitgebreide reparatie uitgevoerd als gevolg van opgelopen waterschade bij reparatie van het dak van de kerk. Gelijkertijd werd besloten om verdere verbeteringen aan te brengen, in die zin dat het instrument meer geschikt kon worden gemaakt voor concertpraktijk. De eerste verbetering resp. uitbreiding is in 1989 voltooid, namelijk de koppeling van het pedaal aan het tweede manuaal. Genoemde reparatie en uitbreiding worden uitgevoerd door de fa. Leeflang te Apeldoorn. Een verdere verbetering van met name de registratuur is gewenst doch dient nog te worden uitgevoerd. Het orgel heeft thans de volgende dispositie:
Manuaal I Manuaal II 1. Prestant 8* 1. Holfluit 8* 2. Roerfluit 8* 2. Fluit 4* 3. Octaaf 4* 3. Octaaf 2* (1960) 4. Nazard 3* 4. Quint 1 1/3* (1960) 5. Flageolet 2* 6. Mixtuur IIl-IV sterk (1960) 7. Dulciaan } Pedaal Tremulant } 8* (1960) 1. Bourdon 16* afkomstig van Manuaal I (1960) Klavieromvang: C -f ’’’ Pedaal:
C - d
Koppelingen: Pedaal / Manuaal I (1960) Manuaal I / Manuaal II Pedaal / Manuaal II (1989) Restauraties: Flentrop Zaandam (1960) en Leeflang Apeldoorn (1987,1989).
Johan Frederik
Witte, orgelbouwer (1840-1902).
J.F. Witte werd op 6 november 1840 to Utrecht geboren. Hij stamde zowel van vaders- als van moederszijde uit een geslacht van bekende orgelbouwers. Zijn vader, Christian Gottlieb Friederich Witte, in 1802 geboren te Rothenburg als zoon van een predikant, werkte van 1817 tot 1824 als leerling bij de orgelbouwer Bothmann te Hannover. Daarna kwam hij via Kassel en Münster naar Nederland, waar hij zich in 1825 meldde bij de beroemde orgelbouwers Bätz te Utrecht, bij wie hij in 1826 in dienst trad. In 1835 is C.G.F. Witte als compagnon in het bedrijf van de firma Bätz opgenomen. Hij trouwde in 1839 met een kleindochter van Gideon Thomas Bätz, de toenmalige leider van het bedrijf. Uit dit huwelijk is Johan Frederik Witte geboren. Witte sr. zette het bedrijf na het overlijden van Jonathan Bätz in 1849 zelfstandig onder dezelfde firmanaam voort. Toen hij In 1873 overleed nam zijn zoon J.F. Witte de leiding ervan over. Do heren Witte hebben in hun tijd duidelijk een eigen stempel gedrukt op de orgelbouw van de firma Bätz. Zij hebben er naar gestreefd de still van de fronttypen van de door hen gebouwde orgels te doen aansluiten bij die van de architectuur van het kerkgebouw, waarbij klassieke vormen en elementen steeds verder werden teruggedrongen en meer aandacht is besteed aan ornamentiek in onder meer renaissancevormen. Het orgel in de Remonstrantse kerk te Haarlem is het laatste, geheel door Witte gebouwde en opgeleverde instrument. Johan Frederik Witte ovenleed op 3 februari 1902. naar boven |
|||||||||||
| naar boven | |||||||||||
|
|||||||||||